
Als een werkgever aan een werknemer een voorschot verstrekt, is er sprake van loon. Daarom moet de werkgever, op het moment dat deze een voorschot verstrekt, hierover loonheffingen berekenen en inhouden. En kan dus slechts het nettobedrag uitbetalen aan de werknemer.
Als een werkgever aan een werknemer een lening verstrekt, is in beginsel geen sprake van loon. Wel is van belang dat werkgever en werknemer overeenkomen hoe en wanneer de werknemer de lening zal aflossen. Het verdient de voorkeur dit schriftelijk vast te leggen.
Kwijtschelden
Wanneer al bij aanvang duidelijk is dat de werknemer de lening nooit terug zal kunnen terugbetalen, is zonder meer sprake van loon. Deze situatie zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen. Als de werkgever de lening later kwijtscheldt, is op dat moment in principe sprake van loon. Wanneer echter pas later blijkt dat de werkgever de lening uiteindelijk niet kan verhalen, is er geen sprake van loon.
Voorbeeld
Een werkgever leent aan een werknemer 12.500 euro om een nieuwe auto te kunnen kopen. Daarbij komen werkgever en werknemer overeen dat de werknemer jaarlijks 2.500 euro op de lening zal aflossen. In jaar drie wordt de werknemer echter ontslagen. Werkgever wil het nog openstaande bedrag van 7.500 euro ineens terugvorderen.
De werknemer kan door de achteruitgang in zijn inkomen het bedrag niet ineens terugbetalen. Na enige tijd blijkt dat werknemer zelfs geheel niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Als de werkgever, na herhaaldelijke aanmaningen, de lening kwijtscheldt, is er geen sprake van loon.
Fiscale behandeling van een renteloze of laagrentende lening
Als de werkgever aan een werknemer een renteloze lening verstrekt, geniet deze werknemer een voordeel. Dit geldt ook als er sprake is van een laagrentende lening. Behalve een rentevoordeel geniet de werknemer in bepaalde situaties ook een kostenvoordeel, bijvoorbeeld met betrekking tot afsluitprovisie. Voor deze kosten geldt hetzelfde als hierna ten aanzien van de rente wordt vermeld.
Rente (met uitzondering van de rente op een hypothecaire lening voor de aanschaf en/of verbetering van de eigen woning) is bij de heffing van inkomstenbelasting niet aftrekbaar. Dit betekent dat de werkgever in beginsel geen renteloze leningen meer kan verstrekken zonder rekening te houden met een belast loonvoordeel. Op grond van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001 moet dit rentevoordeel worden bepaald op basis van de normrente (2025: 6 procent). Is er sprake van een laagrentende lening, bijvoorbeeld met een rentepercentage van 3 procent, dan moet het verschil tussen de normrente en dit lagere percentage tot het loon worden gerekend.
Voorbeeld
Een werknemer wil een auto van 25.000 euro aanschaffen om op die manier gemakkelijker en sneller op zijn werk te kunnen komen. Omdat de werkgever de noodzaak van de aanschaf van de auto wel inziet, verstrekt de werkgever de werknemer een renteloze lening om de auto te kunnen aanschaffen.
Aangezien de werkgever de auto niet onbelast aan de werknemer had kunnen vergoeden of verstrekken, moet hier dus rekening worden gehouden met een loonvoordeel.
Het loonvoordeel moet de werkgever in 2025 forfaitair vaststellen op 6 procent van 25.000 euro = 1.500 euro. De werkgever moet dit bedrag tot het loon van de werknemer rekenen. Zou de werknemer geen renteloze, maar een laagrentende lening van zijn werkgever hebben gekregen, bijvoorbeeld met een rentepercentage van 2 procent, dan had het verschil tussen de normrente van 6 procent en de in rekening gebrachte rente van 2 procent over de lening tot het loon moeten worden gerekend. In dit voorbeeld dus 1.000 euro, zijnde 4 procent van 25.000 euro.
Uitzonderingen
De werkgever kan voor een beperkt aantal zaken belastingvrij een renteloze lening verstrekken. Het gaat om de lening voor de aanschaf van een fiets, een elektrische fiets of een elektrische scooter. In dat geval wordt de waarde van het rentevoordeel gesteld op nihil in het kader van de werkkostenregeling. Ook een met de werkgever verbonden vennootschap kan deze lening zonder rentevoordeel aan de werknemer verstrekken.
Voor de fiscale behandeling van renteloze of laagrentende personeelsleningen moet de werkgever onderscheid maken in de volgende leningen:
- De lening is aangegaan voor de aanschaf van een fiets, een elektrische fiets of een elektrische scooter. Het rentevoordeel hoeft niet tot het loon te worden gerekend.
- De lening is aangegaan voor een ander doel dan de hiervoor genoemde. De werkgever moet rekening houden met een rentevoordeel. In beginsel moet het rentevoordeel doorlopend (per loontijdvak) in aanmerking worden genomen. Om praktische redenen (met name aflossingen van de werknemer) mag het te belasten rentevoordeel ook bij het einde van het kalenderjaar dan wel, als de dienstbetrekking eerder wordt beëindigd, bij het einde van de dienstbetrekking in de heffing worden betrokken.
Checklist
- Heeft de werkgever een lening of een voorschot aan de werknemer verstrekt?
- Is de lening gebruikt voor de aanschaf van een fiets, een elektrische fiets of een elektrische scooter
- Is de lening gebruikt voor andere zaken dan onder de vorige bullet vermeld?
- Heeft de werkgever de verklaringen en aankoopnota’s bij de administratie bewaard?